Verkorte spelregels

Het spel wordt gespeeld met één speelbord, 25 stelstukken en één pion in de kleur geel en 25 stelstukken en één pion in de kleur rood. De speler die met geel speelt begint het spel.
 
Het is de bedoeling om met de pion van de eigen kleur op het kleurvak van de tegenstander te komen.
 
Als een speler aan de beurt is mag hij/zij:
- de pion horizontaal of vertikaal verplaatsen (niet diagonaal) of
- een stelstuk neerleggen.
 
Stelstukken mogen alleen op witte vakken worden neergelegd. Pionnen kunnen op witte vakken en kleurvakken worden gezet.
 
Met de neergelegde stelstukken wordt alleen de pion van de tegenstander geblokkeerd. Met de eigen pion kan men dus wel op de eigen stelstukken gaan staan, maar niet op de stelstukken van de tegenstander.
 
Een speler mag niet worden ingesloten, er moet een vrije doorgang blijven naar het kleurvak van de tegenstander.